Sommige dagen

Op sommige dagen is de afwas doen een Mount Everest beklimmen. Zonder schoenen. De top bereiken voelt als het doorstaan van een beproeving. Terwijl, ik heb een vaatwasser.

Dus dit is de triomf van luie mensen. De overwinning op inruimen, dichtklappen en de machine laten werken. Behouden wasstraat, theekopjes, pannen en knoflookpers. Hou je taai daarbinnen.

Hoe het gaat? Ik hoorde een goed en bruikbaar antwoord voor nu:

‘Surviving, but nog thriving’ – ik weet nog geen leuk Nederlandstalig equivalent.

Het is wat het is, vandaag.

Ik ga met een tosti een boek lezen in de zon, want lezen is óók een overwinning – het lukt, het is lekker, het leidt af van het kloterige bestaan.

Ik zeg dat ik goed bezig ben, want als ik het niet zeg… Begint de vaat tegen me te praten dat ik lui ben. Of m’n inner critic. Die kan er ook wat van. Heeft nog luidere kritiek dan de schaaltjes voor de muesli.

Tosti gemaakt. Weer een overwinning in de pocket. Goed bezig.

Stap voor stap de dag door. Laat de vaatwasser maar werken.

Lezend liep ze

Er liep een meisje over de straat beneden. Ze had een dikke witte koptelefoon op haar hoofd (met goeie muziek, nam ik aan) en ze…las een boek.

Dat boek verbaasde me.

De zon scheen, er leek me geen gevaar voor aanrijding, maar toch verbaasde ze me – met haar eigen wereld. Lopend op je smartphone kijken, daar kijkt geen mens van op, maar lopend lezen… het leek bijna een aanklacht tegen de digitale wereld. En zij was in haar eigen universum, met haar muziek, en haar boek.

Ze stopte om over te steken, en keek op of er een auto kwam. Ze was bewust van haar omgeving – vanuit de hare.

Bus 48 reed voorbij, naar het station. Zij liep de hoek om en ik kon haar niet meer zien. Ik nam een hapje van mijn rijstwafel-lunch.

Ik dacht opeens aan een vriend en zijn weblog, maar pakte niet mijn smartphone om te kijken of hij nog wat had toegevoegd aan zijn digitale universum.

Ik klapte mijn laptop open en ging zelf weer eens schrijven.

Henk en Nel

Mijn nieuwe huisgenoten, Henk en Nel. Ze stoeien, ontdekken en rollebollen. Ze zijn nu vier maanden en waren vroeger ook al heel schattig:

Inmiddels puberen ze er een end op los. Ik ben daarom ook heel blij dat ik kan aankondigen dat Nel….een Nelis is, volgens de dierenarts. Anders wordt het hier op een Amsterdams appartement wel heel snel te klein, vermoed ik.

Is het dagelijks leven minder leuk dan op vakantie zijn?

Toen ik in Noorwegen was las ik een bloedspannend boek met een zenverhaal erin. Boeken lezen, echt zo’n vakantieactiviteit. Dus nu ik hier in Amsterdam op vakantie ben plan ik de hele stapel in mijn vakantiehuis door te ploegen. Er staat genoeg interessants tussen. Maar goed, het verhaal (uit ‘Ik ben Pelgrim‘, van Terry Hayes, een absolute aanrader):

Hoe vang je een aap?
Doe een banaan onderin een emmer, met een vuistbreed gat erboven.
Wacht op de aap.
De aap grijpt de banaan die niet door het gat kan.
De aap zit vast, omdat hij weigert de banaan los te laten. Vang de aap.
(Let wel dat het een zenverhaal is. Elke aap die enigszins bij zijn verstand is zou de banaan opgeven en wegrennen als de apenvanger nadert)

Maar de zenverhalige aap is dus niet bereid los te laten.

Sukkel?

De les van het verhaal is: Zo ben jij. Je denkt dat je klem zit, maar je wordt vrij door los te laten.

Maar Anna, is dat relevant voor mijn verlangen mijn leven als één grote vakantie te beschouwen?

Ja.

Want ik vraag me af hoe ik mijn vakantiegevoel ‘vast kan houden’. En wat ik ‘moet’ doen om een vakantiegevoel te houden. En ik hoor de negatieve criticus in me al steigeren: ‘Het kán niet altijd vakantie zijn. Er moet ook gewerkt worden. Er zullen ook dingen onprettig zijn. Je kunt niet altijd feestvieren.’

Ik wil juist dat soort opvattingen over mijn dagelijks leven loslaten, als ik weer terug ben.

Want de criticus gaat er van uit dat werk niet als vakantie kan voelen. Dat er in het leven nu eenmaal (misschien voorál) ook geleden moet worden. Dat een vrije dag niet fijn is als het regent. En dat alles op vakantie prettig moet zijn. Dat alles wat géén vakantie is per definitie suckt.

Onzin, weet ik nu ik mijn vakantie eens wat dieper doordenk.

Het is een kwestie van je opvatting over het dagelijks leven (en de rol van het ‘lijden’ daarin) aanpassen. Er kunnen minder leuke of fijne dingen zijn. Op vakantie moeten de kopjes immers ook worden afgewassen. Wordt ook ruzie gemaakt. Is er ook onbegrip, eenzaamheid, frustratie. Is niet erg. Hoort bij de vakantie.

Ik ben erbij en alles is goed zoals het is. Daar op vakantie ben ik bewuster, in het moment zie ik de bloemen, de zon, de geveltjes. Voel ik de wind, de regen, de warmte. Ruik ik het gras, de stad. Klinkt mijn omgeving, daar waar ik ben.

Was ik in Noorwegen misschien in een ashram? Nope. Ben ik nu dan misschien op meditatievakantie? Evenmin.

Ik hou vakantie, thuis.

Ik heb mijn eerste vakantieweken er al weer op zitten. Ik heb gefietst in dit mooie land, ik heb van de regen en de zon genoten, en ik was twee interessante weken lang op mijn vakantiebaantje. Ik ging hardlopen door de buurt van mijn gehuurde vakantiewoningkje. Het klimaat was tropisch, zoals je van een vakantiebestemming mag verwachten.

En we gaan nog niet naar huis, nog lange niet, nog lange niet…

Vakantie: dingen zien

Wat ik merk nu ik op vakantie ben, is dat ik hier -veel meer dan thuis- een bewustzijn heb van wat er om me heen te zien is. En dat is veel!

Zou ik thuis te vaak hetzelfde zien, of kleurt mijn dag-in-dag-uit-vooringenomenheid de werkelijkheid, alsof het niet meer de moeite is goed om me heen te kijken?

Want op vakantie is elke grasspriet, elk geveltje, elke guitige brievenbus in het straatbeeld interessant. Elke excentrieke of verlegen local, elk gesprekje, elke interactie. Op vakantie bewonder ik het land, het landschap, de natuur, de mensen. En denk ik ‘hoe zou het zijn om hier te wonen?’

Koeien, bijvoorbeeld. Zonde om overheen te kijken.

Hoe kan ik dat ‘vasthouden’, wanneer ik weer thuis ben – vooropgesteld dat ik óóit nog naar huis ga?

 

Two men, Anna and an elevator that leads to a hotel

Een man valt, met koffers en al, de lift binnen. De deuren zouden net sluiten, ik ben op weg naar mijn appartement. Een tweede man valt hem achterna, maar heeft zijn koffer klem tussen de deur. Hilariteit. ‘It was a long flight’ zegt hij verontschuldigend.

Ze zijn op weg naar het hotel op de bovenste verdieping, naar rust.

Zijn koffer loswurmend duwt man twee zich tegen de muur, met zijn achterste alle mogelijke knopjes indrukkend. Hilariteit again. Zoveel onhandigheid zie je niet vaak op één vierkante meter.

Als we bij mijn verdieping aankomen hebben we extra lang de tijd gehad om een praatje te maken. Totally worth it.

Algemene dingen. Het weer, dit gebouw, de stad Amsterdam.

Je ontmoet er nog eens iemand.

It’s nice living in a hotel building.

Ruimte

Ik probeer elke dag iets weg te gooien. Dat mag een stapel oud papier zijn, of een kapot kopje dat uit vage sentimentaliteitsoverwegingen in mijn kast is blijven rondhangen.

Een kapotte pen of een al jaren niet gebruikte deken (‘weggooien’ omvat ook: weggeven aan iemand die het voorwerp beter kan gebruiken).

Dat schijnt ruimte te scheppen in huis en hoofd.

Een ruim hoofd in een ruim huis. Ik bén mijn opgeruimde omgeving.

Hier heb ik geen boeken van Japanse opruimgoeroes voor gelezen – volgens mij is het volkswijsheid.

Soms sneuvelt er een ongewenst cadeau (sorry, schenker van weleer) of een souvenir uit mijn kindertijd (sorry, knuffelbeertje).

Het is elders beter op zijn plek.

Ik ben benieuwd waar dit experiment gaat eindigen.